Een tuin vol zoemende bijen en fladderende vlinders is niet alleen mooi om naar te kijken, het helpt ook de natuur een handje. Bestuivers hebben het in veel gebieden lastig door een gebrek aan voedsel en geschikte nestplekken. Het goede nieuws: met een paar slimme keuzes kun jij in je eigen tuin, hoe klein ook, een echte pleisterplaats voor deze insecten maken.
Je hoeft daarvoor geen ingrijpende verbouwing te doen. Vaak gaat het om de juiste planten, een beetje rommel op de goede plek en wat minder netjes onderhoud. Hieronder lees je hoe je dat aanpakt.
Kies bloemen die echt iets opleveren
Niet elke bloem is even waardevol voor bestuivers. Gevulde bloemen, zoals veel gekweekte rozen en dahlia’s met dubbele bloemblaadjes, zien er weelderig uit, maar bijen kunnen er nauwelijks bij het nectar en stuifmeel. Kies daarom liever voor enkelbloemige soorten met een open hart, zoals wilde marjolein, kattenkruid, lavendel, koninginnekruid en ossentong.
Inheemse planten doen het vaak extra goed, omdat onze bijen en vlinders er van oudsher op zijn ingesteld. Denk aan grote kattenstaart, knoopkruid, wilde cichorei en rode klaver. Vlinders hebben bovendien waardplanten nodig voor hun rupsen: de brandnetel is bijvoorbeeld onmisbaar voor de kleine vos en de dagpauwoog. Een hoekje met brandnetels achter in de tuin is dus geen slordigheid, maar een kraamkamer.
Zorg voor bloei van vroeg tot laat
Bijen zijn al actief vanaf de eerste warme dagen in februari of maart en vliegen soms tot ver in oktober. Een tuin die alleen in juni uitbundig bloeit, laat ze de rest van het jaar in de steek. Probeer daarom planten te combineren die elkaar in bloeitijd afwisselen.
Met deze verdeling kom je al een heel eind:
- Vroeg voorjaar: krokus, sneeuwklokje, wilg en lenteroos
- Late lente: akelei, look-zonder-look en fruitbomen
- Zomer: lavendel, salie, borage en zonnehoed
- Nazomer en herfst: hemelsleutel, klimop en herfstasters
Bied nestplekken en schuilplaatsen
Veel mensen denken bij bijen aan honingbijen in een kast, maar het grootste deel van de bijensoorten leeft solitair. Ongeveer driekwart van die wilde bijen nestelt in de grond, de rest zoekt holle stengels of gaatjes in hout. Een bijenhotel kan helpen, mits het goed gemaakt is: gebruik gladde, schone gaten van verschillende diameters in hardhout of bamboe, zonder splinters, en hang het op een zonnige, droge plek op het zuiden of zuidoosten.
Minstens zo nuttig is een stukje kale, zonnige grond of een zandbak zonder rand, waar grondbijen hun gangen kunnen graven. Laat ook in de herfst uitgebloeide stengels staan; daarin overwinteren larven en eitjes. Wie meer wil weten over het bouwen van een goed insectenhotel of het kiezen van de juiste planten, vindt op tuinierenforum antwoorden op allerlei tuinvragen.
Richt je tuin natuurvriendelijk in
Een strak aangeharkte tuin met veel tegels biedt weinig te halen. Haal waar het kan wat stenen weg en vervang ze door beplanting. Maai het gras minder vaak, zodat paardenbloemen, madeliefjes en klaver kans krijgen om te bloeien. Een deel van het gazon laten uitgroeien tot een kleine bloemenweide levert vaak verrassend veel leven op.
Water is ook welkom. Een ondiepe schaal met een paar stenen erin, zodat insecten veilig kunnen landen en drinken, maakt op warme dagen echt verschil. En laat chemische bestrijdingsmiddelen staan: die treffen niet alleen ongewenste beestjes, maar ook de bestuivers die je juist wilt lokken.
Ook op een balkon kan het
Heb je geen tuin, maar wel een balkon of terras? Ook dan kun je bestuivers helpen. Potten met tijm, bieslook, lavendel of oregano trekken bijen aan en zijn tegelijk handig in de keuken. Een klein bijenhotel past aan bijna elke muur, en een bak met wilde bloemenzaden zorgt voor kleur en voedsel in de zomer.
